De herziening van de MfN-regelgeving per 1 januari 2026
1. Inleiding en afbakening
Per 1 januari 2026 is een vernieuwd pakket aan MfN‑regelgeving in werking getreden: een nieuwe versie van het MfN‑Mediationreglement, vernieuwde Gedragsregels voor de MfN‑registermediator en een set geactualiseerde modeldocumenten, waaronder de model‑mediationovereenkomst, de model‑geheimhoudingsverklaring, de mediationclausule en het privacy statement. Deze herziening bouwt voort op het kader van januari 2023 en scherpt met name de procedurele randvoorwaarden, geheimhouding en de rol van de mediator aan.
Dit artikel vergelijkt het oude kader (versie januari 2023) met het nieuwe kader (versie januari 2026) en focust op wat er tekstueel en systematisch is veranderd, welke patronen daarin zichtbaar zijn en wat dit betekent voor de praktijk.
2. Geheimhouding als structureel zwaartepunt
Geheimhouding wordt procedureel aangescherpt, met expliciete regels over opnamen, een verbrede en deels heringerichte uitzonderingenset en een uitdrukkelijke doortrekking naar de voorfase via gedragsregel 6.2 en de model‑geheimhoudingsverklaring.
2.1. Voorfase van mediation
In het nieuwe regime wordt duidelijker verankerd dat de geheimhoudingsplicht van de mediator ook geldt in de verkennende voorfase, vóór ondertekening van de mediationovereenkomst. Gedragsregel 6.2 koppelt de geheimhoudingsplicht van de mediator expliciet aan artikel 7 van het MfN‑Mediationreglement, terwijl de toelichting op gedragsregel 6 aangeeft dat deze plicht ook geldt voor verkennende voorgesprekken met partijen vóórdat een mediationovereenkomst is gesloten.
De model‑geheimhoudingsverklaring voor de voorfase definieert die periode als de tijd vanaf de eerste kennismaking tot het moment van ondertekening en bindt de ondertekenaar aan artikel 7 van het reglement.
2.2. Opnamen en bewijsgebruik
Nieuw in 2026 is artikel 7.5, dat tijdens de mediation een verbod introduceert op het maken van geluids‑ of video-opnamen, tenzij partijen en mediator uitdrukkelijk anders afspreken. Wordt toch in strijd met dit verbod opgenomen, dan vallen deze opnamen onder de geheimhouding en mogen zij niet worden gebruikt in klacht‑, tuchtrechtelijke of andere procedures.
In de versie 2023 ontbrak een expliciet opnameverbod; opnamen vielen toen wel onder de brede geheimhoudingsregeling als “gegevensdragers” (zoals geluidsbanden, video en digitale bestanden), maar zonder uitdrukkelijke norm over het maken en gebruiken van opnamen.
2.3. Uitzonderingen op geheimhouding
De structuur van de uitzonderingen is in 2026 herkenbaar, maar inhoudelijk gewijzigd en verbreed. In 2023 golden uitzonderingen voor onder meer:
strafrechtelijke gedragingen met meldplicht of meldrecht,
dreiging van een misdrijf,
klacht‑, tucht‑ of aansprakelijkheidsprocedures tegen de mediator,
verzoeken van een door de MfN‑register aangestelde peer reviewer.
In 2026 bepaalt artikel 7.8 dat de geheimhoudingsplicht niet geldt bij:
informatie over strafrechtelijke gedragingen met meldplicht of meldrecht,
informatie over dreiging of plaatsvinden van een misdrijf,
klacht‑, tucht‑ of aansprakelijkheidsprocedures tegen de mediator,
klacht‑, tucht‑ of aansprakelijkheidsprocedures tegen een andere bij de mediation betrokken beroepsbeoefenaar die aan eigen tuchtrecht onderworpen is,
verzoeken van een door MfN aangestelde peer reviewer.
Opvallend: de expliciete uitbreiding naar andere beroepsbeoefenaren met eigen tuchtrecht, en een subtiele verschuiving van “MfN‑register” naar “MfN” bij peer review.
2.4. Bewijsovereenkomst
Zowel 2023 als 2026 kennen een vergaande bewijsovereenkomst: partijen doen afstand van het recht om wat tijdens of in verband met de mediation naar voren is gebracht als bewijs tegen elkaar aan te voeren of elkaar, de mediator, MfN of andere betrokkenen als getuige te horen.
In 2026 is dit ondergebracht in artikel 7.6, dat uitdrukkelijk ook ziet op de overeenkomst als bedoeld in artikel 5.3 (tussentijdse afspraken) én artikel 10.1 (vaststellingsovereenkomst of ander afsprakendocument), waar 2023 expliciet alleen naar de overeenkomst van artikel 10.1 verwees. De kernnorm blijft gelijk, maar de reikwijdte wordt tekstueel preciezer gekoppeld aan beide typen overeenkomsten.
3. Rol van de mediator en vertegenwoordiging
De positie van vertegenwoordigers wordt strakker vormgegeven in de model‑mediationovereenkomst, met nadruk op volmacht, mandaat en persoonlijke geheimhouding, inclusief een uitgewerkte uitzondering voor overheidsorganen.
3.1. Partijautonomie, commitment en voorstellen
In de Gedragsregels 2026 is partijautonomie uitgesplitst in drie afzonderlijke gedragsregels: respect voor autonomie (3.1), toetsing van vrijwillige deelname en commitment (3.2) en het verbod voor de mediator om een uitspraak over de kwestie te doen (3.3). De toelichting benadrukt dat partijen hun eigen keuzes maken en verantwoordelijkheid dragen, terwijl de mediator begeleidt en waakt over onpartijdigheid.
Nieuw en duidelijker verwoord is de ruimte voor mediatorvoorstellen: de toelichting bij gedragsregel 3 vermeldt dat de mediator, als partijen daarmee instemmen, mondeling of schriftelijk aanbevelingen of voorstellen aan partijen kan doen, mits hij zijn onpartijdigheid bewaakt. Ten opzichte van de eerdere Gedragsregels (versie 2023), waar vooral werd benadrukt dat advies en uitspraken snel botsen met partijautonomie en neutraliteit en rolwisseling bij een (bindende) uitspraak expliciet schriftelijk moest worden vastgelegd, markeert dit een heldere, maar zorgvuldig begrensde erkenning van de “mediator’s proposal”.
3.2. Vertegenwoordiging, mandaat en interne geheimhouding
Artikel 6.2 van het MfN‑Mediationreglement 2026 bevestigt dat een vertegenwoordiger bevoegd moet zijn tot de noodzakelijk rechtshandelingen, waaronder het aangaan van overeenkomsten als bedoeld in artikel 5.3 en 10.1, en dat de mediator een schriftelijke volmacht kan verlangen. In de model‑mediationovereenkomst 2026 is dit verder uitgewerkt in een apart artikel over vertegenwoordiging, met onder meer:
de mogelijkheid voor de mediator om bij vertegenwoordiging een schriftelijke volmacht te verlangen;
een contractuele regeling dat vertegenwoordigers door medeondertekening persoonlijk gebonden zijn aan geheimhouding, inclusief ten opzichte van de rechtspersoon en interne gremia, tenzij anders is overeengekomen;
een contractuele uitgewerkte uitzondering voor vertegenwoordigers van overheidsorganen als geheimhouding strijdig zou zijn met de Wet open overheid, andere wetgeving of algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
een verplichting om te melden of men mandaat heeft om zelfstandig afspraken te maken.
De model‑mediationovereenkomst 2023 kende al vertegenwoordiging en een volmachtseis, maar werkte de persoonlijke en interne geheimhouding van vertegenwoordigers en de specifieke uitzondering voor de overheid niet op deze wijze uit. De 2026‑versie haakt contractueel aan bij art. 7 (geheimhouding) en art. 8 (einde mediation) van het reglement.
4. Begin en einde van de mediation
Begin en einde van mediation krijgen een scherpere juridische contour, door de uitbreiding van beëindigingsgronden, de verplichting tot een neutraal eindbericht en de koppeling met de Gedragsregels (8.5).
4.1. Beëindigingsgronden en neutraal eindbericht
In 2023 eindigde de mediation volgens artikel 8.1 uitsluitend door:
a. een schriftelijke verklaring van de mediator aan de partijen dat de mediation eindigt, of
b. een schriftelijke verklaring van een partij aan de andere partijen en de mediator dat zij zich terugtrekt.
In 2026 bevat artikel 8.1 vier beëindigingsgronden:
a. het definitief worden van een door partijen getekende vaststellingsovereenkomst of ander afsprakendocument;
b. mondelinge overeenstemming tussen partijen over afronding;
c. een schriftelijke verklaring van een partij dat zij zich uit de mediation terugtrekt;
d. een schriftelijke verklaring van de mediator dat hij zich terugtrekt.
Nieuw is artikel 8.2: in alle gevallen bevestigt de mediator het einde van de mediation, met vermelding van de einddatum, via een neutraal schriftelijk eindbericht aan partijen, waarbij dit eindbericht niet onder de geheimhouding valt. Deze verplichting bestond niet in het reglement 2023 en is in de Gedragsregels 2026 terug te zien in gedragsregel 8.5, die bepaalt dat de werkzaamheden van de mediator eindigen nadat dit neutrale eindbericht is verzonden.
4.2. Vertrouwelijkheid van de vaststellingsovereenkomst
In 2023 moest de mediator erop toe zien dat partijen “gezamenlijk en op schrift” bepaalden in hoeverre de inhoud van de af te sluiten overeenkomst vertrouwelijk is; de inhoud mocht in elk geval aan de rechter worden voorgelegd voor nakoming. De toelichting sprak wel over vertrouwelijkheid, maar de default‑regel stond niet expliciet in de tekst van het reglement.
Artikel 10.3 van het reglement 2026 introduceert nu een uitdrukkelijke default: partijen bepalen schriftelijk in hoeverre de inhoud van de Overeenkomst vertrouwelijk is en voor zover zij dit niet bepalen, is de Overeenkomst vertrouwelijk en valt deze onder de geheimhouding van artikel 7, met behoud van de mogelijkheid om de inhoud aan de rechter voor te leggen voor nakoming. Daarmee is de eerder vooral toelichtingsmatig aanwezige gedachte nu normatief gecodificeerd.
5. Contractuele verankering in modeldocumenten
De model‑mediationclausule (ingangsdatum 1 januari 2026) bevat een duidelijke procesnorm: mediation wordt niet beëindigd voordat partijen ten minste tijdens één gezamenlijke bijeenkomst onder leiding van een MfN‑registermediator met elkaar hebben gesproken. Dit volgt niet uit het MfN‑Mediationreglement zelf, maar uit de contractuele clausule die partijen in hun eigen overeenkomst kunnen opnemen.
De norm is dus niet algemeen geldend, maar werkt als contractuele drempel: alleen in dossiers waarin deze clausule is opgenomen ontstaat een verplichting om in elk geval één gezamenlijke bijeenkomst te hebben voordat partijen terugvallen op procederen of arbitrage. In combinatie met de model‑mediationovereenkomst en de model‑geheimhoudingsverklaring laat het pakket 2026 zien dat MfN bewust een deel van de normering via modeldocumenten laat lopen, met gerichte gedragssturing waar partijen dat zelf contractueel overnemen.
6. Synthese en reflectie
In samenhang bezien versterkt het pakket januari 2026 het MfN‑kader met een reeks procedurele preciseringen die vooral gericht lijken op het adresseren van praktijkfricties en tuchtrechtelijke ontwikkelingen.
Geheimhouding, afbakening van begin en einde mediation, vertegenwoordiging en de rol van de mediator worden concreter en afdwingbaarder gemaakt, wat mediators meer houvast biedt bij dossierbeheer en risicobeheersing. De kern van mediation als begeleid onderhandelingsproces blijft daarbij onaangeroerd.
Tegelijkertijd is het karakter van de herziening primair corrigerend en reactief: aandacht voor opnamen, eindberichten en bewijsovereenkomsten sluit aan bij bekende discussiepunten, maar vooruitstrevende onderwerpen als digitale hulpmiddelen, AI‑ondersteuning of hybride mediation ontbreken. Het is gissen of dit een bewuste keuze is voor technologieneutraliteit, die de beroepsgroep voorlopig via de algemene normen van geheimhouding, privacy en zorgvuldigheid laat navigeren.
De modeldocumenten vormen in 2026 nadrukkelijk een integraal onderdeel van het normatieve pakket. De model‑mediationovereenkomst haakt veel directer aan bij het MfN‑Mediationreglement, met expliciete verwijzingen naar onder meer artikel 7 (geheimhouding) en artikel 8 (einde mediation), en met uitgewerkte bepalingen over vertegenwoordiging, mandaat en interne geheimhouding. Naast de model‑geheimhoudingsverklaring en de vernieuwde mediationclausule is ook het model‑privacy statement geactualiseerd, zodat mediators hun informatie‑ en privacyverplichtingen beter contractueel kunnen borgen in lijn met het vernieuwde kader en de geldende privacywetgeving.
Een opvallende vooruitgang is de ruimte voor mediatorvoorstellen in de toelichting bij gedragsregel 3: een expliciete erkenning van wat veel mediators in complexe dossiers al doen (opties structureren of formuleringen aanreiken), mits partijen instemmen en onpartijdigheid gewaarborgd blijft. Dit biedt professionele helderheid, al blijft het een begrensde codificatie van bestaande praktijk. Al met al een solide stap naar meer robuustheid, met ruimte voor toekomstige aanvullingen op innovatieve domeinen.